N-VA heruitgevonden? Electorale winst en partijverandering.

Pieter
Moens

N-VA barst uit zijn voegen
Wat als een partij plots haar stempercentage verdubbelt?

Op 13 juni 2010 onderging het Vlaamse partijlandschap een aardverschuiving. Bart De Wever mag zichzelf sinds die dag voorzitter van de grootste Vlaamse partij noemen. Het groeipad van N-VA is indrukwekkend: in 2003 moest de partij het nog met één verkozene stellen. De grootste sprong voorwaarts maakte de partij tussen 2009 en 2010, toen het Vlaamse stempercentage van 13 naar 30% klom. Ik onderzocht wat dit betekende voor de partij-organisatie.

De nieuwe N-VA onder de loep

De eerste stap was de verschillende veranderingen in kaart brengen. Interviews met sleutelfiguren binnen de partij, interne documenten, het N-VA ledenmagazine en persartikels leverden daarbij de nodige info. Directeur Piet De Zaeger, die de aanpassingen in de partij begeleidde, was  de uitvalsbasis voor die interviews. Vanuit zijn helikoptervisie werd duidelijk wie een rol speelde in de aanpassingen, waardoor ik gesprekken met andere sleutelfiguren aanknoopte. Zo werden ook Bart De Wever, zijn stafmedewerkers, minister Muyters en ondervoorzitter Weyts geïnterviewd. De selectie moest de verschillende onderdelen van de partij bevatten, ervaring binnen N-VA was ook belangrijk.

De resultaten: wat is nieuw?

De partijstructuur werd voor het eerst echt uitgewerkt, waardoor de verhouding tussen de verschillende onderdelen duidelijker moest worden. De oude manier van werken, aangepast aan de ooit kleine N-VA, volstond immers niet meer. Dit werd het resultaat:

De Zaeger wilde structuur die het partijsecretariaat boven de rest plaatste vermijden. Volgens de directeur waren er ‘individuen binnen de organisatie die daar aanstoot aan zouden kunnen nemen’. Daarom koos men op aanraden van minister Muyters voor deze vlakke structuur. Anderzijds noemt De Zaeger het secretariaat nog steeds ‘het commandoschip’ van de partij. Het werd dankzij de creatie een studiedienst dan ook versterkt met specialisten die inhoudelijk politiek werk verrichten. Niettemin kregen andere geledingen meer inspraak.  De ‘overleglijnen’ snijden immers dwars door de onderdelen van de partij heen. Zo ontstond er bijvoorbeeld een wekelijks overleg tussen het verkozen dagelijks bestuur en vertegenwoordigers van de kabinetten en Vlaamse en federale parlementsfracties. Aan de andere kant kan slechts een deel van de verkozenen van N-VA nog  rechtstreeks deelnemen aan de partijraad. Terwijl vroeger iedereen welkom was, worden nu een beperkt aantal afgevaardigden verkozen. 

De verkiezingsoverwinning leverde de partij een mooie spaarpot op. Zo kreeg N-VA de middelen om via het federale parlement heel wat nieuw personeel aan te werven. Daar werden de verkozenen ondersteund met medewerkers. Maar ook nieuwe krachten op het secretariaat (studiedienst, administratie, etc.) en extra woordvoerders werden via deze weg aangenomen. Tegelijk krijgt de partij ook rechtstreeks geld toegestopt. Daarmee kon het partijsecretariaat verhuizen naar een groter gebouw, noodzakelijk door het talrijke nieuwe personeel. De rest van die som spaart men voor verkiezingsuitgaven.

Waarom? Het verhaal achter de veranderingen. 

Verkiezingsoverwinning

Wat waren de beweegredenen achter die vele aanpassingen? Veel valt terug te brengen tot de verkiezingsoverwinning van 13 juni 2010. Die zorgde er immers voor dat N-VA eindelijk over de financiële middelen ging beschikken om haar werking professioneler te maken. Hoewel dat al langer de droom was van verschillende N-VA’ers die ik sprak, bleek die evolutie na de verkiezingsoverwinning meteen ook broodnodig. Als grootste Vlaamse partij tuimelde N-VA rechtstreeks in moeilijke federale onderhandelingen zonder de hoeveelheid specialisten waarover andere partijen beschikken. De partij kreeg er dus een pak nieuwe taken en verantwoordelijkheden bij. N-VA-politici worden plots veel meer in tv-studio’s uitgenodigd, wat de job van de woordvoerders een stuk zwaarder maakte. Dat zorgde voor specialisatie: de taken van de woordvoerders werd opgesplitst in een aantal deeltaken voor verschillende personen. Op verschillende plaatsen had N-VA extra mensen nodig om het hele takenpakket aan te kunnen.

 Zonder conflict?

 De uitwerking van de veranderingen in de partij werd toevertrouwd aan de nabije medewerkers van voorzitter De Wever, de staf op het partijsecretariaat. Dankzij de drukke agenda van de politici in die periode hadden zij daarbij best wat vrijheid. Daarenboven werkten zij met de instemming van de bijzonder populaire Bart De Wever, die zijn sterke schouders onder de veranderingen zette. De aanpassingen bleven doorgaans conflictloos, al had dat ook met de aard van die beslissingen te maken. Men had namelijk de luxe om meer geld te kunnen verdelen en nieuw personeel aan te werven. Dat leidde makkelijk tot consensus. Wie kon iets tegen een meer professionele N-VA hebben?

De factor De Wever: de leiderschapscultuur 

Een ander gegeven dat de veranderingen redelijk rimpeloos deed verlopen was de aanpak van De Wever. Ondanks zijn onbetwiste autoriteit in de partij maakt hij beslissingen liefst bij consensus. Voor belangrijke politieke keuzes zit De Wever steevast samen met de N-VA kopstukken. In het verleden was dat de zogenaamde Stratego-groep, vandaag de ‘Vrienden van de Voorzitter’. De kring rond De Wever die de veranderingen voorbereidde ging dan ook steeds op zoek naar overeenstemming binnen de partij. De partijstructuur, waarin de verschillende partij-organen officieel op gelijke voet staan, draagt duidelijk de De Wever-stempel. 

Die consensusgerichte benadering heeft een duidelijke link met de filosofie rond leiderschap die binnen de partij heerst. Bereikte akkoorden worden kritisch onder de loep genomen en een ledencongres moet regeerakkoorden met een tweederde meerderheid goedkeuren. Eerst komt het partijprogramma, daarna pas regeringsdeelname. Dat heeft als gevolg dat de partijvoorzitter niet bijzonder veel speelruimte heeft bij compromissen. De Wever ziet dit als de juiste leiderschapsstijl. Tijdens het interview sprak hij met afkeuring over Verhofstadt en Leterme, die ‘leidden aan het syndroom dat hun persoon en het partijpolitiek belang in hun hoofde begon samen te vallen.’ Zo’n partijen worden volgens De Wever ‘opgestuwd, maar vervolgens ook geconsumeerd door die figuur’.

 Epiloog

N-VA is dus niet het type partij waar de voorzitter ver kan gaan bij het smeden van een het akkoord, om daarna zijn partij te overtuigen van het compromis. Blijft het Belgische overlegmodel overeind met een sterke N-VA? Of zal de partij de relaties tussen de twee gemeenschappen blijvend veranderen? Veel hangt af van de houding van de partij, die bepaald wordt door de interne werking. Wie de Belgische politiek wil begrijpen is dus best op de hoogte van wat er bij N-VA gebeurt.

 

 

 

Bibliografie

Appleton, A., & Ward, D. (1997). Party Response to Environmental Change. Party Politics ,
341-362.
Appleton, A., & Ward, D. (1993). Party Transformation in France and the United States.
Comparative Politics , 69-98.
Bolleyer, N. (2008). The organizational costs of public office. In K. Deschouwer, New Parties
in government (pp. 17-43). New York: Routledge.
Bourgeois, G. (2002). De puinhopen van Paars. Antwerpen: Houtekiet.
Brinckman, B., Albers, I., Samyn, S., & Verschelden, W. (2008). De Zestien is voor u : hoe
België wegzakte in een regimecrisis : het verhaal achter de langste regeringsvorming ooit.
Tielt: Lannoo.
De Vadder, I. (2008). Het koekoeksjong. Het begin van het einde van België. Leuven: Van
Halewyck.
De Wever, B. (2008). Het kostbare weefsel. Kapellen: Uitgeverij Pelckmans.
Deschouwer, K. (1992). The performance of organizational forms. A conceptual Framework
for the Understanding of Party Adaptation and Change. Paper presented at ECPR in Limerick.
Devos, C. (2008). De Kleermakers en de Keizer. Gent: Academia Press.
Harmel, R. (2002). Party Organizational Change: Competing Explenations? In K. Luther, & F.
Müller-Rommel, Political Parties in the New Europe (pp. 119-142). Oxford: Oxford University
Press.
Harmel, R., & Janda, K. (1994). An Integrated Theory of Party Goals and Party Change.
Journal of Theoretical Politics , 259-287.
Harmel, R., Heo, U., Tan, A., & Janda, K. (1995 ). Performance, leadership, factions and party
change: An empirical analysis . West European Politics , 1-33.
Heywood, A. (2007). Politics. Houndmills: Palegrave Macmillan.
Huyse, L., & Bouveroux, J. (2009). Het onvoltooide land. Leuven: Van Halewyck.
Katz, R. (2002). The Internal Life of Parties. In K. Luther, & F. Müller-Rommel, Political parties
in the new Europe (pp. 87-117). Oxford: Oxford University Press.
Katz, R., & Crotty, W. (2006). Handbook of Party Politics. Thousand Oaks: Sage.
Maddens, B., & Weekers, K. (2009). Het geld van de partijen. Leuven: Uitgeverij Acco.
Mair, P. (1997). Party system Change. Oxford: Clarendon Press.
Mair, P., Müller, W., & Plasser, F. (2004). Political Parties and Electoral Change. London: Sage
Publications.
Moens, P. (2010). Dynamiek in issue-ownership? Een analyse van het mediaoptreden van NVA.
Onuitegegeven.
Mortelmans, D. (2007). Handboek kwalitatieve onderzoekstechnieken. Leuven: Acco.
Panebianco, A. (1988). Political Parties: Organization and Power. Worcester: Billing & Sons
Ltd.
Samyn, S., & Peeters, T. (2011). De gevangenen van de Wetstraat. Gent: Borgerhoff &
Lamberigts.
Van Droogenbroeck, M. (2010). Kan De Wever wat Leterme niet kon? België na 13 juni. Gent:
Borgerhof & Lamberigts.
Verstraete, T. (2003). De invloed van interne partijfactoren op partijvernieuwing: een
verkennende analyse. Res Publica , 173-200.
Wilson, F. (1980). Sources of Party Transformation: the case of France. In P. Merkl, Western
European Party Systems: Trends and Prospects (pp. 526-551). New York: Free Press.
Witte, E., Craeybeckx, J., & Meynen, A. (2005). Politieke geschiedenis van België. Antwerpen:
Standaard Uitgeverij.

Download scriptie (5.53 MB)
Universiteit of Hogeschool
Universiteit Gent
Thesis jaar
2011