Ze zeggen: dromen zijn voor later, voor straks, voor ooit, voor na vandaag.
Maar sommige dromen zijn geen slapers, ze kloppen luid en traag.
Ze wonen niet alleen in hoofden, ze zitten mee aan elke tafel. Waar zinnen breken, woorden doven, waar stilte klinkt als ruw spektakel.
Er zijn kinderen met dromen zo klein als een brooddoos, maar zo zwaar als een celdeur waar niemand uitleg bij gaf want dat is hopeloos.
Ze vragen geen verzonnen waarheid, geen sprookjeszin om mee te slapen. Ze vragen lef, ze vragen nabijheid, een eerlijk woord dat blijft, blijft ademen.
Er zijn dromen die door leidingen reizen, door lucht, door water, door elk systeem. Onzichtbaar, maar nooit af te wijzen, ze dragen namen, cijfers, een werkelijk probleem.
Ze komen nooit alleen, ze komen samen, als zorgen die elkaar verstaan. Wie één wil zien, mist alle namen, mist hoe lichamen verder gaan.
Die dromen vragen geen vereenvoudiging, ze eisen zicht op het verband. Ze zeggen: stop met ontkoppeling, want alles houdt elkaar in stand.
Er zijn dromen die aan muren groeien, niet om mooi te zijn of braaf. Maar om vervuilde lucht te snoeien, actief, hardnekkig, onversaagd.
Groen dat werkt en blijft leren, dat beter wordt na elke slag. Dromen die niet willen decoreren, maar doen wat duurzaamheid belooft en verwacht.
Er zijn dromen, groen van naam, maar zwaar van oude tijd. Ze klinken nieuw, maar gaan te traag, omdat macht haar plaats niet kwijt.
Wat is vooruitgang, zeg het eerlijk, als winst vertrekt en risico blijft? Als toekomst klinkt als iets begeerlijks, maar hetzelfde patroon herschrijft?
Deze dromen vragen geen afbraak, maar hertekening van het spel. Van wie beslist, van wie mag praten, van wie bepaalt wat telt en wel.
En dan zijn er dromen na verdwijnen, na snijden, na verlies van vorm. Een lichaam dat zichzelf moet vinden, in een nieuwe, breekbare norm.
Ze dromen niet van terugkeer, maar van passen, hier en nu. Van lichtheid, adem, eigen sfeer, van een spiegel die zegt: dit bent u.
Zacht zijn deze dromen, ja, maar onderschat hun kracht niet. Zachtheid blijft wanneer ze staat, wanneer ze weigert te zwichten.
Al deze dromen raken elkaar, in wachten, spreken, blijven staan. Ze fluisteren samen, jaar na jaar: laat ons niet slapen, laat ons gaan.
Want dromen zijn geen luxe, geen extra bovenop de tijd. Ze zijn richting, ze zijn kompas, ze zijn het werk van menselijkheid.
Dus wie zegt dat dromen naïef zijn, heeft nooit gezien hoe ze evolueren. Dit is geen later, geen misschien.
Dit zijn jullie dromen die blijven wegen in de disbalans van het heden.